donderdag 30 juni 2005

Philippe Claudel - Zonder mij



Pjoe, uit! Had Grijze zielen niet gelezen, dit was mijn kennismaking met Claudel. Gisterenavond begonnen en mezelf er net kunnen weerhouden van het meenemen naar bed. Ademloos, telefoon zojuist laten rinkelen, nee, _nu_ even niet!

In een situatie waarin je verdriet hebt, is elke lelijkheid een aanval op je toch al kapotte zenuwen. De ik-persoon zoekt natuurlijk in alles bevestiging van zijn voornemen. Ik vroeg me af of hij het zal redden na de aftuiging van zijn collega.

De irritatie over de moderne oppas die door een aantal van de boekgrrls werd gevoeld deel ik niet. Ieder krijgt de oppas die hij verdient :-) en iemand vinden die ook 's avonds en in het weekend als de ik-persoon dienst heeft kan komen is wel moeilijk dus hij zal allang blij zijn geweest dat hij haar had.

vrijdag 3 juni 2005

Anna Brouwer - Land van gebroken beloftes



Het boek is een verslag van ruim 450 pagina’s van een tweetal reizen door Rusland die de schrijfster maakte met de jongvolwassen dochter van een Russische vluchteling die zich in Nederland vestigde. In die reizen krijg je een vergezicht voorgeschoteld op de geschiedenis van Rusland van de 20e eeuw, op het Russisch landschap en de Russische maatschappij van nu. Fascinerend!

In een heldere, gedetailleerde (maar zelden onnodig uitgesponnen) stijl beschrijft Anna Brouwer om en om de gesprekken met de familie van Polina (Polja voor intimi) die ze tijdens de eerste reis bezochten (de hoofdstukken heten dan ook veelal naar mensen) en de treinreis dwars door Siberië die ze de tweede keer samen maken (die hoofstukken heten in zowel Russisch als Nederlands naar de vertrek en aankomstplaats van de etappe).

De familiegeschiedenissen uit de eerste reis opgetekend volgen de vrouwelijke lijn: de overgrootmoeder Olga (bijna 100 jaar oud!), die de Russische revolutie meemaakte, de grootmoeder Tamara, een overtuigd communiste (Stalinistische periode), de moeder Lara, die de periode van glasnost en perestroika van Gorbatsjov benutte om stinkend rijk te worden en als gevolg van bedreigingen door de Russische maffia besloot naar Nederland te vluchten en tot slot de dochter Polina die in Nederland opgroeit, vrij van de Russische zwaarmoedigheid. Hier is de duik in een eeuw Russische geschiedenis aan opgehangen. Deze duik wordt verder uitgediept en onderbouwd met feitenmateriaal uit allerlei andere bronnen, waardoor je een redelijk goed beeld krijgt van wat er allemaal in Rusland is gebeurd de afgelopen eeuw.

Polina wil Anna graag het Rusland zoals zij het zich kan herinneren, waar zij als kind gelukkig is geweest, laten beleven, vandaar de tweede reis: van Moskou naar het Bajkalmeer. Tijdens die treinreis dwars door Siberie wordt Polina echter steeds geconfronteerd met het feit dat het Rusland van nu niet spoort met het Rusland uit haar herinneringen en met de verbazing, nee, verbijstering van de schrijfster die zich haast niet kan voorstellen dat een volk zich zo laat leven/leeft, zo corrupt is (en dat gewoon vindt!) en zo verschrikkelijk zuipt. Maar ook de keerzijde: de superhartelijkheid van de Russen die aan de twee vrouwen die ze nog maar net ontmoet hebben zomaar onderdak verlenen en zelfs hun enige bed aan hen afstaan, hen van alles laten zien. En daarnaast het ongeloof van de Russen over de verhalen over Nederland: het kan simpelweg niet zo zijn dat er een land bestaat waar je niet tig jaar op een appartement moet wachten, of uren op brood (tenzij je connecties hebt natuurlijk).

Ter illustratie van beide verhaallijnen een aantal fragmenten:
p.51: Over de alomtegenwoordige corruptie:
(Anna en Polja willen naar het mausoleum van Lenin maar er staat een lange, lange rij. Polja weet wel hoe ze kan ritselen zodat zij niet hoeven te wachten): Deze soldaat blijkt het Engels machtig te zijn. You go – you put the money in bag – I check bag – nobody see,’ zegt hij. We lopen een eindje samen op. Hij wroet in Polina’s handtas, goochelt een biljet in zijn mouw en kijkt nijdig. 'This only ten dollars, not twenty’. ' Take it or leave it’ zegt Polina. 'Tien is meer dan genoeg. Zie ik er soms uit als een halvegare Amerikaan?’ De soldaat draait zich om en draagt zijn verlies als een man. 'Deze vrouwen moeten begeleid worden,’ roept hij naar zijn kameraden en wenkt dat we hem moeten volgen. We marcheren met z’n drieen naar de ingang van het mausoleum. 'Vertel over Amsterdam,’ commandeert hij. 'Het is daar zeker onleefbaar met al die misdaad en die drugs’.”

p. 86: (Anna en Polja zitten in de trein met twee mensen, [trouwens fantastische verhalen over het treinsysteem van Rusland, maar daar ga ik nu maar even niet op in] Volodja en Victoria): ‘Ik vraag Volodja hoe hij vroeger dacht over de communisten en hun heilsleer. Geloofde hij in de leugen? Hij wil het geen leugen noemen. 'Je werkt niet voor je individuele geluk. Daar ging het leven niet over. Je werkte voor de toekomst. Dat werd ons altijd gezegd en dat was ook de waarheid. "

p. 135: (over het einde van de Tsarentijd):
‘Daar was hun laatste gevangenis een villa die bekenstond als het Ipatjev Huis, of ook wel als het Huis met het Bijzondere Doel. Wat het bijzondere doel was is aan Nicolaas voorbijgegaan, hetgeen valt op te maken uit zijn dagboekaantekeningen (...) Eind mei, drie weken voor de fatale datum schrijft hij: De contacten met de buitenwereld zijn onlangs gewijzigd. Onze gevangenbewaarders proberen ont te ontwijken en praten niet meer met ons. (...) Onbegrijpelijk!’ Maar de werkelijke reden voor de gedragsverandering van de bewakers is tot niemand van het gezin doorgedrongen.”

p. 181: (over het systeem, waardoor angst diep wortelde in de Rus):
‘Lara’s verklaring klonk nogal religieus. 'In mijn jeugd was elk mens schuldig, alleen al omdat hij geboren was. Want elk kind dat geboren werd, was een mond om te voeden. Het systeem zorgde ervoor dat er net niet genoeg voedsel was, zodat de mensen van elkaar moesten stelen om in leven te blijven. Iedereen voelde zich schuldig en iedereen was ook schuldig.’ Ze zuchtte. 'Maar in mijn leven is het rare dat mijn moeder haar hele leven nooit iets gestolen heeft. En dat is gewoon gek. Ik zou mijn moeder moeten beschuldigen van het feit dat ze niet gestolen heeft toen ze de gelegenheid had. Want ze had mij veel meer kunnen geven. Maar mijn moeder weigerde te stelen, uit principe. Zijzelf was namelijk opgevoed in de tijd van Stalin. Zij was de perfecte vrouw voor het communistische systeem.”

Dit krijgt een vervolg op p. 190: ‘Hoe geraffineerder je het systeem te pakken kon nemen, hoe trotser je was op jezelf. Maar je werd ook banger. De risico’s waren enorm.” [Lara verwijst hier naar de altijd op de loer liggende kans om te worden gedeporteerd, ES]

p. 190: over het drankgebruik van de Russen (Lara):
‘Waarom denk je dat de Russen zoveel drinken? Omdat ze al vier eeuwen bang zijn. Als mensen niet opgewassen zijn tegen de angst kiezen ze de gemakkelijkste weg: alles vergeten.”

p. 262: over de wetenschap (Tamara)
‘Wij leefden voor het debat. Leraren en wetenschappers werden gezien als de ideologische voortrekkers. Een van de leuzen was ook: 'De Partij is het Intellect, de Trots en het Aangezicht van ons tijdperk’ (...) Maar als je een afwijkende mening had, gaven ze je gelegenheid die te uiten. Je kon natuurlijk geen meningen verkondigen die strijdig waren me de beginselen of voorschriften. Als je overdreef werd je naar de goelag gestuurd, of erger. (...) Het was een sinistere paradox. Er waren altijd en overal debatten en disputen en dat was ook heel goed. Maar tegelijkertijd was je doodsbang om de verkeerde dingen te zeggen.”

p. 264: de dood van Stalin, in 1953 (Tamara):
”Om halfzeven waren alle leerlingen op school. De directeur zette iedereen in de paradestand en daar stonden we, terwijl we bijna door de knieen gingen van verdriet. (...) Er is een einde gekomen aan het leven van onze grootste vriend en leraar, onze machtige vader, onze geliefde Stalin. We dachten echt dat het einde van de wereld nabij was.”

p. 311: over de Koude oorlog, 1956 (Anna):
"Voor mij is 1956 het jaar dat de wereld in tweeen werd gespleten. De tegenstellingen tussen de twee supermachten Amerika en de Sovjet-Unie waren daarvoor ook als onverzoenlijk, maar na de Hongaarse opstand nam de rivaliteit krankzinnige vormen aan. (...) Het arme Russische volk kon er niets aandoen. het bestond uit dode, want ongedoopte zielen en was verdoemd tot eeuwige duisternis. Wij, rooms-katholieke kinderen in het zuiden van Nederland vreesden de Russische beer meer dan de duivel zelf."

p. 365: over Irkoetsk:
"De mondaine uitstraling van de stad moest iedere vreemdeling wel verbazen, zo volkomen in tegenspraak als die was met het bestaande beeld van de verbanningsoorden in Siberie: sinistere godverlatenheid over de rand van de beschaving, 'de vrieshel waaruit geen terugekeer mogelijk is'. Maar de ironie is dat het juist de tsaar en zijn genadeloze regime zijn geweest die de opmaat hebben gegeven voor de tomeloze ontwikkeling van de stad." [Volgt een schitterend verhaal over verbannen opstandelingen die in Parijs waren geweest en het Parisienner wereldje wisten te kopieren in hun verbanningsoord.]

p. 383: over vergeten:
"In de krant stond een bericht dat de graafmachines [die bezig zijn het vliegveld van Irkoetsk uit te breiden met het oog op de verwachte/gehoopte toename vn het toerisme naar het Baikal-meer, ES] vorige week op een onbekend massagraf zijn gestoten. Ze vonden de overblijfselen van duizenden slachtoffers van de Goelag. 'Duizenden! Wat gebeurt darmee?' De mannen voorin hebben geen idee. 'Staat Irkoetsk op zijn kop? Wordt er een ceremonie gehouden? Komt er een gedenkteken?' Nee, niet dat ze weten. Ze hebben er nog niet over nagedacht. Niemand denkt daarover na. Die botten worden gewoon ergens anders begraven. Het is verdomme altijd hetzelfde. De Russen zijn blij als ze werk hebben en het hoofd boven water kunnen houden. Het liefst zouden ze als die geschiedenissen van vroeger doodzwijgen."

p. 386, bij het Baikalmeer, het einde van de trip door Siberie:
"Ik ben gelukkig' zegt Polja plechtig, samenzweerderig. 'Het is mooi en prachtig. Dit is onze beloning.'"

p. 400, evaluatie (Polja):
"Ik heb echt geen spijt van onze reis. Misschien lijkt dat soms zo, maar ik vind vertalen niet erg. Toen we net onderweg waren vond ik het juist interssant, als die verhalen van dit is hier zo slecht, en dat moet beter. Ik wilde dat jij precies wist wat er er werd gezegd, zodat je ons zou gaan begrijpen. Ik wilde je ook alles vertellen zoals ik het me herinnerde.' Maar, zegt ze, ze had zich gerealiseerd dat ze weinig hoogte kreeg van wat de mensen bezielde (...) Ik kon er niet genoeg van krijgen om naar de Russen te luisteren. Maar tegelijkertijd ergerden hun verhalen mij. Het was mijn eigen schuld, natuurlijk. Ik had nooit opgelet. Ik had altijd alles als vanzelfsprekend aangenomen. (...) [ik heb ook lang gedacht] dat Rusland na het communisme veranderd was. Maar dat is niet zo. De Russen waren vroeger net zo. Dat is het hem nou juist. Dat ik dat heel goed wist natuurlijk."

Al met al een boek over een interessant land, een interessante familie en nog op een onderhoudende manier geschreven ook: een aanbeveling! Soms herhaalt Anna zichzelf, dat is jammer, zo wordt tijdens een bepaald deel van de treinreis twee keer vlak achter elkaar gemeld dat ze Russische thee gaan drinken, met bessen erin en dat dat een bepaalde naam heeft (heb het niet aangestreept dus kan het nu natuurlijk niet meer terugvinden, dus kennelijk is het niet zo storend geweest dat ik het nodig vond een potlood te gaan zoeken). Het enige dat ik echt jammer vond is dat er wel een historisch feitenoverzicht achterin is opgenomen, maar nergens een kaartje. Ik heb tijdens het lezen regelmatig de atlas erbij gepakt. En dat leest niet zo lekker in bed....

woensdag 18 mei 2005

Helene Nolthenius - Addio Grimaldi!



Van Yvonnep kreeg ik een ouwetje van Nolthenius toegestuurd: Addio, Grimaldi! uit 1953. Het bundeltje bevat een tweetal verhalen die zich, in geheel Noltheniaanse traditie, afspelen in Italie.

Het titelverhaal speelt zich af in het Noord-Italiaanse dorpje Grimaldi, in de jaren '40 van de vorige eeuw. Het verlies in het geloof dat wie land bezit, het altijd zal redden, staat centraal in dit verhaal. Het verhaal bestaat uit een aantal delen. He eerste deel speelt zich af in de aanloop naar WOII, het tweede deel tijdens de oorlog en het derde tijdens de periode daarna, die eigenlijk een periode van wederopbouw had moeten zijn, maar hoe bouw je 'weder' op als er niets over is? Dus: addio, Grimaldi!

Prachtig beschreven families en tradities en hoe die ten onder gaan in het geweld van WOII. Zo is er moeder Bernetti, een oude matriarch die haar rijkdom te danken heeft aan de wijngaarden die ze eigenhandig opgebouwd heeft. Als de wijngaarden het veld moeten ruimen voor de bunkers is ze niets meer. De weduwe Anita Forlani, die de dorpskroeg runt en wiens dochter (zeer keurig verloofd) wanhopig is als haar aanstaande naar de oorlog geroepen wordt: zal ze ooit moeder worden? De blonde Angela, die het met de zeden juist niet zo nauw neemt, in de oorlog een kind krijgt en daardoor het gevaar loopt door haar enige familie verstoten te worden. De hoteleigenaar in het dorp, waar de moffen ingekwartierd worden. De pastoor, die met het dorpsgeloof in hetgeen de aarde te bieden heeft, vergeefs op zieltjesjacht is en pas zijn heil vindt als hij zich bij de ondergrondse beweging aansluit tijdens de oorlog. Etc. etc. Prachtig geschilderde tafereeltjes.

Het tweede verhaal speelt zich een eeuw eerder af in de moerassen van Zuid-Italie. De seculiere dokter en de ingekakte pastoor van een klein dorpje, die noodgedwongen vrienden zijn (als zijnde de enige twee 'intellectuelen' van het dorp, ondanks hun ver uiteenlopende ideeen rondom het geloof), raken samen in een avontuur terecht als zij gekidnapt worden door een beruchte roversbende die de bergstreken van Zuid-Italie onveilig maakt. Dit is een verhaal in de stijl van Lapo Mosca, de detectives die Nolthenius schrijft over de middeleeuwse monnik.

Ja, een lekker bundeltje!

dinsdag 17 mei 2005

Yann Martel - Life of Pi



Het verhaal
De familie van de directeur van een Indiase dierentuin emigreert naar Canada. Zij doen dat per vrachtschip, omdat ook een aantal dieren meeverhuist. Onderweg vergaat het schip totaal onverwachts. De 16-jarige zoon Pi (voluit Piscine Molitor Patel, vernoemd naar het favoriete Parijse zwembad van zijn oom toen die als jonge man in Parijs woonde) actief christen, moslim En budhist (heerlijk beschreven passages over zijn kennismaking met deze godsdiensten, maar dat terzijde) overleeft als enige mens deze scheepsramp. Hij dobbert ruim 7 maanden in een sloep rond alvorens hij gered wordt. Als zijn gezelschap heeft hij een zebra, een hyena, een orang-oetan en een Bengaalse tijger. Prachtig wordt het machtsspel tussen deze dieren (Pi even meegerekend) beschreven.

Ik kon het niet wegleggen, wat een prachtig boek! Op de cover stond dat het je in God zou doen geloven. Nu ben ik verstokt atheist, en daarvan niet genezen. Ik heb het meer als een zeer goed geschreven sprookje ervaren (een soort ark van Noach idee, toch bijbels dan misschien ;-) )

Zeker als je van sprookjes houdt is dit een absolute aanrader!

zondag 1 mei 2005

Agnes Verbiest - Als ik jou toch niet had



Wat ontzettend moeilijk om iets te schrijven over een boek waarvan je de schrijfster kent. En zeker als je niet onverdeeld enthousiast bent. Want dat gebeurde me bij het lezen van 'Als ik jou toch niet had - de taal van complimenten' van Agnes Verbiest.

Het onderwerp is erg interessant: waarom maken complimenten geven en ontvangen mensen ongemakkelijk (ze voelen zich al snel klemgezet, twijfelen aan de echtheid en de bedoeling van het gezegde) en wat is hierbij het verschil tussen mannen en vrouwen en tussen hierarchisch hoger en lager geplaatsten?

De onderzoeksresultaten die Verbiest presenteert prikkelen eveneens: verschillende typen complimenten (en ook opmerkingen die als compliment worden verpakt maar eigenlijk een sneer zijn) passeren de revue, netjes gesorteerd naar de vorm, het onderwerp waarover een compliment wordt gegeven, het gevoel bij de ontvanger van het compliment, de reactie van de ontvanger naar de gever. En dan al die zaken ook onderzocht vanuit een genderperspectief en in de context van sociale verhoudingen geplaatst.

De theorie waaraan Verbiest het ophangt is de zgn. Beleefdheidstheorie, een theorie die ervan uitgaat dat een conversatie altijd uit een heenzin en een terugzin bestaat. Ontbreekt in een gesprek een van beiden, dan is er kans op een ongemakkelijk gevoel want het gesprek is niet af. Op een compliment hoort dus altijd een reactie. Maar ja, hoe moet je in hemelsnaam reageren op een compliment als je twijfelt aan de oprechtheid of niet slijmerig of snoeverig over wilt komen? Dat we daarin dus zeer omzichtig opereren want dat is zeer slecht voor de verstandhouding moge duidelijk zijn. Dus moet je je compliment niet te groot maken (anders wordt het snel als onecht beschouwd), kies je een vaste vorm (het woord 'leuk' blijkt daarin het meest te worden gebruikt), gaat het over sociaal geaccepteerde complimentonderwerpen (onder te verdelen in de categorien uiterlijk, resultaat, bezit en persoonlijkheid) en nivelleert een zgn solidariteitscompliment de sociale ongelijkheid en wordt daarom door mannen aan hoger geplaatse vrouwen gegeven (maar niet aan hoger geplaatste mannen), die dat trouwens niet als onprettig ervaren want vrouwen wisselen onderling graag solidariteitscomplimenten uit.

So far so good: Verbiest kletst niet zomaar wat uit haar nekharen (of de theoretische onderbouwing die ze gebruikt, gangbaar en geaccepteerd is kan ik niet beoordelen maar gezien haar wetenschappelijke standing ga ik daarvan uit), in ieder geval gebruikt ze de theorie op een consequente en duidelijke manier, ze structureert de tekst goed, bouwt haar verhaal op een logische manier op, schrijft lekker leesbaar en gebruikt aansprekende voorbeelden. De doelstelling van het boek, mensen bewust maken van wat complimenten doen zodat je ze bewuster kunt gebruiken, is m.i. zeker behaald.

En toch: het boekje bevredigt me niet. Dit komt vooral doordat Verbiest de voor mij irritante gewoonte heeft om in dit boek aan het begin van een hoofdstuk de redeneertrant uit de vorige hoofdstukken nog even samen te vatten en aan het eind van het hoofdstuk het hoofdstuk nog eens samen te vatten en vast aan te kondigen waarmee dan dus hierna verder gegaan wordt. Op zich een prima gewoonte natuurlijk, maar een beetje overdreven in een boekje van net iets meer dan 100 pagina's, verdeeld over 9 hoofdstukken.

Moet je je voorstellen: zo ongeveer 18 keer wordt je dus uitgelegd hoe dat ook al weer zat. Echt teveel van het goede en door mij bijna als een belediging van het intellect van de lezer gevoeld: alsof die elke 10 pagina's aan de haren bij de les moet worden gesleurd. En dat verdient de lezer niet.

woensdag 13 april 2005

Paul Auster - New York Trilogie



Wat een klasse-auteur is die Auster toch. Ogenschijnlijk drie losse verhalen schrijven en die dan ineens toch weten te vervlechten!! Fantastisch! Deze trilogie bevat een drietal verhalen over schrijvers die over schrijvers schrijven, schrijvers die verward worden met detectives en het uiteindelijk dus worden en detectives die detectives bespioneren. Typische Auster dus, allerlei dubbele bodems. Net als in Orakelnacht speelt de vraag: 'wordt iets waar als je het opschrijft?' er duidelijk doorheen.

Het eerste verhaal: Broze stad
De redelijk succesvolle schrijver van misdaadromans, Daniel Quinn, wordt op een avond gebeld. Een wanhopige stem vraagt of ze verbonden is met de detective Paul Auster. Dit herhaalt zich een aantal nachten en tot slot zegt Daniel maar ´ja´. Zo komt hij bij Peter en Virginia Stillman over de vloer. Peter is vroeger door zijn vader (eveneens Peter geheten) ernstig mishandeld, vanuit een wetenschappelijk fanatisme. Deze vader is opgesloten maar zal binnenkort vrijkomen. Virginia vraagt Quinn (alias Auster of moet ik dat nou andersom schrijven?) om Peter te beschermen tegen zijn vader. Quinn zegt ja. Hij doet uitgebreid verslag van zijn naspeuringen in een rood schrift (he, welke kleur had het schrift in Orakelnacht ook al weer?), dezelfde kleur als het schriftje waarin de vader van Peter onophoudelijk schrijft.

Natuurlijk loopt alles heel anders dan in zijn boeken. Uiteindelijk gaat hij op zoek naar de echte Paul Auster, die geen detective maar een schrijver blijkt te zijn. Aan het eind van het verhaal blijkt dat (en dit is geen verklapper) een schrijver (Paul Auster??) de aantekeningen van Quinn heeft gevonden en zo het verhaal vertelt dat we net gelezen hebben.

Open eind en daarom des te beter.

Wat citaten uit het eerste verhaal. Eerste zin van het boek:
"Het begon allemaal met iemand die verkeerd verbonden was, de telefoon die in het holst van de nacht drie keer rinkelde, en de stem aan de andere kant van de lijn die vroeg naar iemand anders dan hij."

Quinn is detectiveboeken-schrijver:
"Wat hem aan die boeken bevile ws hun gevoel voor overvloed en zuinigheid. In de goede detectiveroman wordt niets verspild, elk zinnetje, elke woord betekent iets. En zelfs als het niets betekent, kan het altijd nog iets gaan betekenen - wat op hetzelfde neerkomt."

Over het schrift waarin hij zijn waarnemingen noteert, zie de gelijkenis
met Orakelnacht!:
"Het was een gewoon, honderd bladzijden tellend spiraalblok van 22 bij 28 cm. Maar iets eraan leek hem te lokken, alsof het voorbestemd was om de woorden te bevatten die uit zijn pen zouden vloeien. Bijna verlegen met de hevigheid van zijn gevoelens, stak Quinn het rode schrift onder zijn arm, liep naar de kassa en betaalde het."

De vader van Peter heeft een prachtige/huiveringwekkende theorie over taal en de zondeval. Met dit in zijn achterhoofd haalt hij een vreselijk experiment met zijn zoon uit...:
"Zo had elk sleutelwoord in 'Verloren pradijs' (van Milton) twee betekenissen - een van voor de zondeval en een van na de zondeval. (...) Adam had in de hof van Eden maar een taak gehad: het maken van taal, elk schepsel en elk ding een naam geven. In die staat van onschuld had zijn tong direct de essentie van de wereld getroffen. Zijn woorden waren niet slechts vastgehecht aan de de dingen die hij zag, ze hadden hun wezen onthuld, ze letterlijk tot leven gewekt. Een ding en de naam ervan waren eerst onderling verwisselbaar. Na de zondeval was dat niet meer zo. De namen scheidden zich van de dingen; de woorden degenereerden tot een aantal willekeurige tekens; de taal was losgeraakt van God."

Quinn geeft zich voor Paul Auster uit:
"Het feit dat hij nu met een bepaalde bedoeling Paul Auster was - een bedoeling die steeds belangrijker voor hem werd - fungeerde als een soort morele rechtvaardiging voor de hele komedie en ontsloeg hem van de verplichting zijn leugen te verantwoorden."

Te lang om over te typen is een hele verhandeling over Don Quichot, niet voor niets met dezelfde initialen als Daniel Quinn. Kort gezegd: ook daar doet een schrijver alsof hij het niet zelf schreef, maar alsof hij een manuscript gevonden heeft en dat slechts zo waarheidsgetrouw mogelijk weergeeft. Met andere woorden: Paul Auster als Cervantes, Daniel Quinn als Don Quichot!


Het tweede verhaal: Schimmen
Dit gaat over een prive-detective (Blauw) aan wie door de man (Wit die hij overigens nooit te zien krijgt) gevraagd wordt een man (Zwart, mooi als tegenpool voor Wit) in de gaten te houden. (Trouwens, alle namen zijn kleuren in het verhaal). Er is een appartementje voor hem gehuurd tegenover dat van degene die hij in de gaten moet houden. Blauw geeft zijn eigen leven op (ook zijn verloofde, hoewel dat meer een kwestie is van langzaam doodbloeden) en betrekt het appartement. Elke week rapporteert hij wat Zwart doet. En wat doet die dan? Eigenlijk niets, die zit op zijn beurt de hele dag achter de typemachine. Na een aantal maanden besluit Blauw om Zwart te benaderen. Hij verkleedt zich en knoopt een praatje aan. Pas jaren later, want zolang duurt de opdracht al, gaat hij zelfs aan de deur van Zwart bellen en doet zich voor als borstelverkoper om zo een blik te kunnen werpen op de schrijfselen van Zwart. En wat schetst zijn verbazing als blijkt dat zijn eigen weekrapportages op het bureau van Zwart liggen? Wie houdt nu wie in de gaten? De ontknoping van dit verhaal is vrij abrupt, maar past wel in het geheel van de drie New York verhalen over schrijvers die over schrijvers schrijven en detectives die detectives achterna zitten.
(ik moet gelijk denken aan die zin: als vliegen achter vliegen vliegen,
vliegen vliegen vliegen achterna)

De parallellen met het eerste verhaal zijn duidelijk. Ook hier gaat het om het 'woord' en de relatie met het 'zijn':
"... nooit meer verlangd van de dingen dan dat ze er zouden zijn. En tot nog toe waren ze er ook, scherp afgetekend tegen het daglicht. Ze vertelden hem duidelijk wat ze waren, en ze waren zo volmaakt niets anders dan zichzelf dat het nooit noodzakelijk was om bij ze stil te staan, ze nog eens te bekijken. Maar nu de wereld hem plotseling als het ware ontnomen is en hij niet veel meer ziet dan een vage gedaante die Zwart heet, nu denkt hij aan dingen die nog nooit bij hem zijn opgekomen en dat is hem ook gaan verontrusten."

En ook de man Blauw is een fervent honkbalfanaat, net als Quinn uit het eerste verhaal.

Enkele korte citaten die de essentie van dit tweede verhaal weergeven:
"Want terwijl Blauw Zwart aan de overkant bespioneert, is het net of hij in een spiegel kijkt, en blijkt hij niet alleen naar iemand anders te kijken maar ook naar zichzelf."

"In zekere zin heeft een schrijver geen eigen leven. Zelfs als hij ergens is, is hij er niet echt. Ook een Schim. Precies."


Het derde verhaal: De gesloten kamer
Alweer een schrijver is de hoofdpersoon. Hij wordt op een dag gebeld door Sophie Fanshawe die hem vertelt dat haar man verdwenen is. Deze man, Fanshawe (hij krijgt in het verhaal geen voornaam) dus, die doodgewaand wordt, heeft een omvangrijk oevre nagelaten, alles ongepubliceerd. In zijn afscheidsbrief heeft hij aan de zwangere Sophie gevraagd zijn jeugdvriend op te sporen en de beoordeling op publiceerbaarheid aan hem over te laten.

De Ik-persoon leest alles, vindt het fantastisch en zorgt ervoor dat de werken gepubliceerd worden. Inmiddels zijn hij en Sophie verliefd op elkaar, trouwen en het lijkt een 'en ze leefden nog lang en gelukkig verhaal' te worden. Tot zover was ik gisterenavond en ik vroeg me af of ik het niet verder ongelezen terug moest brengen. Maar toen! De ik-persoon krijgt het verzoek een biografie over Fanshawe te maken en komt tot de ontdekking dat Fanshawe nog moet leven, maar niet gevonden wil worden. De ik-persoon neemt hier geen genoegen mee en zet zijn gelukkige huwelijk op het spel door achter Fanshawe aan te jagen. Op het moment dat hij dat, na een hoop ellende, op wil geven, krijgt hij een brief van Fanshawe. Die wil hem spreken, vanachter een gesloten deur. Het einde verklap ik niet, maar daarin worden beide eerdere verhalen uit de trilogie op een meesterlijke manier verwerkt. Prachtig, prachtig.

Tot slot nog enkele citaten: enkele verwijzingen naar het eerste verhaal:
"Geholpen door haar schoonmoeder, die aanbood de kosten te betalen, verzekerde ze zich van de diensten van een man die Quinn heette."

"Ik snap het al. Je verwart me met iemend anders. Ik heet niet Fanshawe. Ik ben Stillman. Peter Stillman."

"Welke naam heb je gebruikt? Henry Donker."

En weer gaat het verhaal over schrijvers en de macht van het geschreven woord:
"Hij ging door met schrijven', zei ik. 'Hij werd schrijver, he?' Sophie knikte. Dat was de verklaring."

Als de uitgever de roman van Fanshawe gelezen heeft, geeft hij de volgende reactie, die m.i. ook erg op mijn reactie op deze Auster zal gaan lijken:
"Ik heb het boek meer dan twee weken geleden gelezen en het zit nog steeds in mijn hoofd. Ik kan het maar niet van me afzetten. Ik moet er telkens weer aan denken en steeds op de vreemdste momenten. Als ik onder de douche vandaan kom, op straat loop, 's avonds in bed kruip - altijd als ik niet bewust ergens mee bezig ben. Dat gebeurt niet zo vaak, weet je."

De hoofdpersoon lijkt fysiek erg op Fanshawe, en kennelijk niet alleen in dat opzicht:
"Het gerucht ging dat ik hem verzonnen had om de boel in de maling te nemen en dat ik de boeken in werkelijkheid zelf geschreven had."

Over het schrijven van de biografie, waarin moet komen te staan dat Fanshawe dood is, terwijl we inmiddels weten dat hij leeft:
"En nu, acht jaar later, ging ik een levende man in zijn graf leggen."

En de duidelijkste link naar de samenhang van de drie verhalen van de trilogie:
"Het einde staat me echter duidelijk bij. Ik ben het niet vergeten en prijs mezelf gelukkig dat ik dat in elk geval heb vastgehouden. Het hele verhaal draait om wat er aan het einde gebeurde, en als dat einde nu niet in me zat, had ik niet aan dit boek kunnen beginnen. Hetzelfde geldt voor de twee boeken die hieran voorafgaan: Broze stad en Schimmen."

En tot slot iets onder een

V

E

R

K

L

A

P

P

E

R

Als Zwart en Blauw op straat een praatje maken, vertelt Zwart over
Hawthorne (ik neem aan de Nathaniel Hawthorne van de Scarlet Letter) en zegt dan iets:
"Na zijn afstuderen keerde hij terug naar het huis van zijn moeder in Salem, sloot zich op in zijn kamer en kwam er twaalf jaar niet uit."

Grappig dat ik dit geezelsoord had, dit is belangrijke informatie voor het derde verhaal. In ieder geval wordt hier in dit fragment ook even later nog verwezen naar een verhaal van Hawthorne over een man die jaren zoek is geweest en op een dag terugkomt en gewoon naar binnen gaat. Einde verhaal. Zou dit wellicht een hint kunnen zijn naar het einde van dit verhaal? Dat Blauw ook terug kan gaan naar het leven van voor deze jarenlange opdracht? Is Fanshawe Blauw? Is Quinn Blauw en dus Fanshaw? Wie is wie?

maandag 11 april 2005

Vonne van der Meer - Eilandgasten



In de stemming gebrcht door Wolkers, besloot ik een Waddenboek tot me te nemen. Het werd Eilandgasten van Vonne van der Meer.

Het verhaal
Eigenlijk zijn het losse verhalen over opeenvolgende bezoekers van de vakantiewoning 'Duinroos' op Vlieland en hetgeen zij als 'boodschap' achterlaten in het gastenboek. Alle gasten die in het huisje verblijven hebben problematische levens. Zo komen achtereenvolgens het jonge stel waarvan de man vreemd is gegaan en als goedmakertje dit huisje gehuurd heeft (en dat terwijl het rotweer is, gezellig!), de ongewenst zwangere tiener in het gezelschap van de beste vriendin van haar moeder, de diep-depresseive weduwnaar, het stel waarvan de man slecht nieuws op zijn werk heeft gekregen wat hun vakantie ruineert, de schijnbaar onbeantwoorde liefde tussen twee vrienden, en de vrouw met kanker langs.

Pfjoe, wat een ellende. Wel zijn de verhalen zodanig geschreven dat ze bijna allemaal een optimistisch einde hebben. En da's maar goed ook, anders zou Vlieland natuurlijk nooit meer toeristen krijgen.

Een mooi maar best depri boek.