woensdag 13 april 2005

Paul Auster - New York Trilogie



Wat een klasse-auteur is die Auster toch. Ogenschijnlijk drie losse verhalen schrijven en die dan ineens toch weten te vervlechten!! Fantastisch! Deze trilogie bevat een drietal verhalen over schrijvers die over schrijvers schrijven, schrijvers die verward worden met detectives en het uiteindelijk dus worden en detectives die detectives bespioneren. Typische Auster dus, allerlei dubbele bodems. Net als in Orakelnacht speelt de vraag: 'wordt iets waar als je het opschrijft?' er duidelijk doorheen.

Het eerste verhaal: Broze stad
De redelijk succesvolle schrijver van misdaadromans, Daniel Quinn, wordt op een avond gebeld. Een wanhopige stem vraagt of ze verbonden is met de detective Paul Auster. Dit herhaalt zich een aantal nachten en tot slot zegt Daniel maar ´ja´. Zo komt hij bij Peter en Virginia Stillman over de vloer. Peter is vroeger door zijn vader (eveneens Peter geheten) ernstig mishandeld, vanuit een wetenschappelijk fanatisme. Deze vader is opgesloten maar zal binnenkort vrijkomen. Virginia vraagt Quinn (alias Auster of moet ik dat nou andersom schrijven?) om Peter te beschermen tegen zijn vader. Quinn zegt ja. Hij doet uitgebreid verslag van zijn naspeuringen in een rood schrift (he, welke kleur had het schrift in Orakelnacht ook al weer?), dezelfde kleur als het schriftje waarin de vader van Peter onophoudelijk schrijft.

Natuurlijk loopt alles heel anders dan in zijn boeken. Uiteindelijk gaat hij op zoek naar de echte Paul Auster, die geen detective maar een schrijver blijkt te zijn. Aan het eind van het verhaal blijkt dat (en dit is geen verklapper) een schrijver (Paul Auster??) de aantekeningen van Quinn heeft gevonden en zo het verhaal vertelt dat we net gelezen hebben.

Open eind en daarom des te beter.

Wat citaten uit het eerste verhaal. Eerste zin van het boek:
"Het begon allemaal met iemand die verkeerd verbonden was, de telefoon die in het holst van de nacht drie keer rinkelde, en de stem aan de andere kant van de lijn die vroeg naar iemand anders dan hij."

Quinn is detectiveboeken-schrijver:
"Wat hem aan die boeken bevile ws hun gevoel voor overvloed en zuinigheid. In de goede detectiveroman wordt niets verspild, elk zinnetje, elke woord betekent iets. En zelfs als het niets betekent, kan het altijd nog iets gaan betekenen - wat op hetzelfde neerkomt."

Over het schrift waarin hij zijn waarnemingen noteert, zie de gelijkenis
met Orakelnacht!:
"Het was een gewoon, honderd bladzijden tellend spiraalblok van 22 bij 28 cm. Maar iets eraan leek hem te lokken, alsof het voorbestemd was om de woorden te bevatten die uit zijn pen zouden vloeien. Bijna verlegen met de hevigheid van zijn gevoelens, stak Quinn het rode schrift onder zijn arm, liep naar de kassa en betaalde het."

De vader van Peter heeft een prachtige/huiveringwekkende theorie over taal en de zondeval. Met dit in zijn achterhoofd haalt hij een vreselijk experiment met zijn zoon uit...:
"Zo had elk sleutelwoord in 'Verloren pradijs' (van Milton) twee betekenissen - een van voor de zondeval en een van na de zondeval. (...) Adam had in de hof van Eden maar een taak gehad: het maken van taal, elk schepsel en elk ding een naam geven. In die staat van onschuld had zijn tong direct de essentie van de wereld getroffen. Zijn woorden waren niet slechts vastgehecht aan de de dingen die hij zag, ze hadden hun wezen onthuld, ze letterlijk tot leven gewekt. Een ding en de naam ervan waren eerst onderling verwisselbaar. Na de zondeval was dat niet meer zo. De namen scheidden zich van de dingen; de woorden degenereerden tot een aantal willekeurige tekens; de taal was losgeraakt van God."

Quinn geeft zich voor Paul Auster uit:
"Het feit dat hij nu met een bepaalde bedoeling Paul Auster was - een bedoeling die steeds belangrijker voor hem werd - fungeerde als een soort morele rechtvaardiging voor de hele komedie en ontsloeg hem van de verplichting zijn leugen te verantwoorden."

Te lang om over te typen is een hele verhandeling over Don Quichot, niet voor niets met dezelfde initialen als Daniel Quinn. Kort gezegd: ook daar doet een schrijver alsof hij het niet zelf schreef, maar alsof hij een manuscript gevonden heeft en dat slechts zo waarheidsgetrouw mogelijk weergeeft. Met andere woorden: Paul Auster als Cervantes, Daniel Quinn als Don Quichot!


Het tweede verhaal: Schimmen
Dit gaat over een prive-detective (Blauw) aan wie door de man (Wit die hij overigens nooit te zien krijgt) gevraagd wordt een man (Zwart, mooi als tegenpool voor Wit) in de gaten te houden. (Trouwens, alle namen zijn kleuren in het verhaal). Er is een appartementje voor hem gehuurd tegenover dat van degene die hij in de gaten moet houden. Blauw geeft zijn eigen leven op (ook zijn verloofde, hoewel dat meer een kwestie is van langzaam doodbloeden) en betrekt het appartement. Elke week rapporteert hij wat Zwart doet. En wat doet die dan? Eigenlijk niets, die zit op zijn beurt de hele dag achter de typemachine. Na een aantal maanden besluit Blauw om Zwart te benaderen. Hij verkleedt zich en knoopt een praatje aan. Pas jaren later, want zolang duurt de opdracht al, gaat hij zelfs aan de deur van Zwart bellen en doet zich voor als borstelverkoper om zo een blik te kunnen werpen op de schrijfselen van Zwart. En wat schetst zijn verbazing als blijkt dat zijn eigen weekrapportages op het bureau van Zwart liggen? Wie houdt nu wie in de gaten? De ontknoping van dit verhaal is vrij abrupt, maar past wel in het geheel van de drie New York verhalen over schrijvers die over schrijvers schrijven en detectives die detectives achterna zitten.
(ik moet gelijk denken aan die zin: als vliegen achter vliegen vliegen,
vliegen vliegen vliegen achterna)

De parallellen met het eerste verhaal zijn duidelijk. Ook hier gaat het om het 'woord' en de relatie met het 'zijn':
"... nooit meer verlangd van de dingen dan dat ze er zouden zijn. En tot nog toe waren ze er ook, scherp afgetekend tegen het daglicht. Ze vertelden hem duidelijk wat ze waren, en ze waren zo volmaakt niets anders dan zichzelf dat het nooit noodzakelijk was om bij ze stil te staan, ze nog eens te bekijken. Maar nu de wereld hem plotseling als het ware ontnomen is en hij niet veel meer ziet dan een vage gedaante die Zwart heet, nu denkt hij aan dingen die nog nooit bij hem zijn opgekomen en dat is hem ook gaan verontrusten."

En ook de man Blauw is een fervent honkbalfanaat, net als Quinn uit het eerste verhaal.

Enkele korte citaten die de essentie van dit tweede verhaal weergeven:
"Want terwijl Blauw Zwart aan de overkant bespioneert, is het net of hij in een spiegel kijkt, en blijkt hij niet alleen naar iemand anders te kijken maar ook naar zichzelf."

"In zekere zin heeft een schrijver geen eigen leven. Zelfs als hij ergens is, is hij er niet echt. Ook een Schim. Precies."


Het derde verhaal: De gesloten kamer
Alweer een schrijver is de hoofdpersoon. Hij wordt op een dag gebeld door Sophie Fanshawe die hem vertelt dat haar man verdwenen is. Deze man, Fanshawe (hij krijgt in het verhaal geen voornaam) dus, die doodgewaand wordt, heeft een omvangrijk oevre nagelaten, alles ongepubliceerd. In zijn afscheidsbrief heeft hij aan de zwangere Sophie gevraagd zijn jeugdvriend op te sporen en de beoordeling op publiceerbaarheid aan hem over te laten.

De Ik-persoon leest alles, vindt het fantastisch en zorgt ervoor dat de werken gepubliceerd worden. Inmiddels zijn hij en Sophie verliefd op elkaar, trouwen en het lijkt een 'en ze leefden nog lang en gelukkig verhaal' te worden. Tot zover was ik gisterenavond en ik vroeg me af of ik het niet verder ongelezen terug moest brengen. Maar toen! De ik-persoon krijgt het verzoek een biografie over Fanshawe te maken en komt tot de ontdekking dat Fanshawe nog moet leven, maar niet gevonden wil worden. De ik-persoon neemt hier geen genoegen mee en zet zijn gelukkige huwelijk op het spel door achter Fanshawe aan te jagen. Op het moment dat hij dat, na een hoop ellende, op wil geven, krijgt hij een brief van Fanshawe. Die wil hem spreken, vanachter een gesloten deur. Het einde verklap ik niet, maar daarin worden beide eerdere verhalen uit de trilogie op een meesterlijke manier verwerkt. Prachtig, prachtig.

Tot slot nog enkele citaten: enkele verwijzingen naar het eerste verhaal:
"Geholpen door haar schoonmoeder, die aanbood de kosten te betalen, verzekerde ze zich van de diensten van een man die Quinn heette."

"Ik snap het al. Je verwart me met iemend anders. Ik heet niet Fanshawe. Ik ben Stillman. Peter Stillman."

"Welke naam heb je gebruikt? Henry Donker."

En weer gaat het verhaal over schrijvers en de macht van het geschreven woord:
"Hij ging door met schrijven', zei ik. 'Hij werd schrijver, he?' Sophie knikte. Dat was de verklaring."

Als de uitgever de roman van Fanshawe gelezen heeft, geeft hij de volgende reactie, die m.i. ook erg op mijn reactie op deze Auster zal gaan lijken:
"Ik heb het boek meer dan twee weken geleden gelezen en het zit nog steeds in mijn hoofd. Ik kan het maar niet van me afzetten. Ik moet er telkens weer aan denken en steeds op de vreemdste momenten. Als ik onder de douche vandaan kom, op straat loop, 's avonds in bed kruip - altijd als ik niet bewust ergens mee bezig ben. Dat gebeurt niet zo vaak, weet je."

De hoofdpersoon lijkt fysiek erg op Fanshawe, en kennelijk niet alleen in dat opzicht:
"Het gerucht ging dat ik hem verzonnen had om de boel in de maling te nemen en dat ik de boeken in werkelijkheid zelf geschreven had."

Over het schrijven van de biografie, waarin moet komen te staan dat Fanshawe dood is, terwijl we inmiddels weten dat hij leeft:
"En nu, acht jaar later, ging ik een levende man in zijn graf leggen."

En de duidelijkste link naar de samenhang van de drie verhalen van de trilogie:
"Het einde staat me echter duidelijk bij. Ik ben het niet vergeten en prijs mezelf gelukkig dat ik dat in elk geval heb vastgehouden. Het hele verhaal draait om wat er aan het einde gebeurde, en als dat einde nu niet in me zat, had ik niet aan dit boek kunnen beginnen. Hetzelfde geldt voor de twee boeken die hieran voorafgaan: Broze stad en Schimmen."

En tot slot iets onder een

V

E

R

K

L

A

P

P

E

R

Als Zwart en Blauw op straat een praatje maken, vertelt Zwart over
Hawthorne (ik neem aan de Nathaniel Hawthorne van de Scarlet Letter) en zegt dan iets:
"Na zijn afstuderen keerde hij terug naar het huis van zijn moeder in Salem, sloot zich op in zijn kamer en kwam er twaalf jaar niet uit."

Grappig dat ik dit geezelsoord had, dit is belangrijke informatie voor het derde verhaal. In ieder geval wordt hier in dit fragment ook even later nog verwezen naar een verhaal van Hawthorne over een man die jaren zoek is geweest en op een dag terugkomt en gewoon naar binnen gaat. Einde verhaal. Zou dit wellicht een hint kunnen zijn naar het einde van dit verhaal? Dat Blauw ook terug kan gaan naar het leven van voor deze jarenlange opdracht? Is Fanshawe Blauw? Is Quinn Blauw en dus Fanshaw? Wie is wie?

maandag 11 april 2005

Vonne van der Meer - Eilandgasten



In de stemming gebrcht door Wolkers, besloot ik een Waddenboek tot me te nemen. Het werd Eilandgasten van Vonne van der Meer.

Het verhaal
Eigenlijk zijn het losse verhalen over opeenvolgende bezoekers van de vakantiewoning 'Duinroos' op Vlieland en hetgeen zij als 'boodschap' achterlaten in het gastenboek. Alle gasten die in het huisje verblijven hebben problematische levens. Zo komen achtereenvolgens het jonge stel waarvan de man vreemd is gegaan en als goedmakertje dit huisje gehuurd heeft (en dat terwijl het rotweer is, gezellig!), de ongewenst zwangere tiener in het gezelschap van de beste vriendin van haar moeder, de diep-depresseive weduwnaar, het stel waarvan de man slecht nieuws op zijn werk heeft gekregen wat hun vakantie ruineert, de schijnbaar onbeantwoorde liefde tussen twee vrienden, en de vrouw met kanker langs.

Pfjoe, wat een ellende. Wel zijn de verhalen zodanig geschreven dat ze bijna allemaal een optimistisch einde hebben. En da's maar goed ook, anders zou Vlieland natuurlijk nooit meer toeristen krijgen.

Een mooi maar best depri boek.

maandag 4 april 2005

Jan Wolkers - Zomerhitte



Ik heb niets geoormerkt, maar dat wil niet zeggen dat ik het niet een lekker onderhoudend boekenweekgeschenk vond. Natuurlijk is het een echte Wolkers: mooie beschrijvingen van planten en dieren, flink veel vanuit de man bedachte heterosex, met van die details als niet geschoren oksels maar wel een geschoren schaamheuvel. Met als argument dat het anders zo stoppelig wordt, die oksels. Schaamheuvel niet soms?

Dit alles opgehangen aan natuurlijk een dun verhaaltje (want het is en blijft een boekenweekgeschenk, dus uitdiepen kan niet) over drugssmokkel. Wat ik me afvroeg: hoe weet de hoofdpersoon in hemelsnaam dat er drugs (heroïne nog wel, wat hij later verkondigt) in die rugzak zitten? Nergens las ik dat hij de zak openmaakte en erin keek. Voor hetzelfde geld was het andere smokkelwaar geweest. En die Federici, die oude man? Gewoon iemand om tegenaan te lullen volgens mij. Niets meer, niets minder.

In de boekenweek kocht ik Terug naar Oegstgeest. Komt nog, ik moet er nog voor in de stemming komen. In mijn herinnering gaat dit over het sterven van (zijn vader??). Heb ooit een flitsje uit de film gezien waar hij voor een woonkamerraam staat met daarachter in een bed een stervende. Of haal ik nou zaken door elkaar? Dat komt toch ook (?) in de Noordelingen voor. Nou ja, doet er niet toe, ik ga het lezen, dan kom ik er vanzelf achter.

Grappig genoeg ben ik nu ook in een Waddeneilandboek bezig: Eilandgasten van Vonne vd Meer. Daarover meer als ik het uitheb.

donderdag 17 maart 2005

Ruth Rendell - The Rottweiler



Er ligt een stapeltje boeken naast mij op het bureau om verslagjes van te typen. Hier numero uno: Ruth Rendell - The Rottweiler.

Het verhaal: in een Londense volksbuurt wordt een aantal meisjes vermist. Zij worden een voor een teruggevonden, vermoord. Over de moordenaar doet het verhaal de ronde dat hij zijn slachtoffers bijt alvorens ze een kleinood af te nemen, vandaar dat hij/zij al snel de Rottweiler genoemd wordt.

Het mysterie lijkt iets te maken hebben met Inez Ferry, de eigenaresse van een antiekwinkeltje en haar bizarre kostgangers: zo is er de licht verstandelijk gehandicapte Will, die het liefst bij zijn tante Becky in zou gaan wonen (zij ziet dat absoluut niet zitten, zeg maar dag met je handje tegen je prive-leven), de rijke stinkerd Jeremy (wat doet die nou toch voor werk en waarom is hij zo dol op zijn moeder?) en het werkschuwe stel Ludmilla (die net doet alsof ze Russin is) en haar vriendje Freddy van Caribische afkomst. Ook de hulp in de winkel is een bijzonder persoon: het is de beelschone Zeinab, die er een sport van maakt verschillende steenrijke minnaars op na te houden.

Al snel kom je erachter wie de Rottweiler is, maar dat doet niets af aan de spanning. In tegendeel, RR weet als geen ander de spanning juist dan nog meer op te voeren.

Weer een heerlijk boek. Wel vind ik het soort 'nawoord' waarin RR vertelt hoe het de hoofdpersonen vergaat na afloop van het verhaal eigenlijk zonde. Laat maar wat aan de verbeelding over, ik houd wel van wat open eindjes om nog lekker over na te liggen denken nadat je het boek dichtgeslagen hebt.

zondag 13 maart 2005

Tessa de Loo - Een bed in de hemel



Ik kreeg het van mijn moeder, die in Budapest woonde. Het verhaal speelt zich namelijk deels daar af. Leuk om over bekende en onbekende plekjes te lezen.

Goed. Het verhaal speelt zich in verschillende perioden af. Het grootste deel gaat over de jaren '60 van de vorige eeuw, maar ook de veertiger jaren (WOII), de 50-er jaren (de Hongaarse opstand) en tot slot ook de jaren '90 komen aan bod.

Kata is de hoofdpersoon van het boekje. Ze is een Nederlandse met een Hongaarse vader. Hij is vlak voor WOII naar Nederland gekomen om hier te musiceren. Maar ja, hij is Jood en loopt dus gevaar alhier. Hij wordt in bescherming genomen door een Nederlandse vrouw, die daarin wel heel ver gaat... Tijdens de Hongaarse opstand weet ook zijn broer Nederland te bereiken. Halverwege de jaren '60 studeert Kata in Amsterdam. Zij ontmoet Stefan, die haar vraagt voor hem een wolkenlucht te schilderen boven zijn bed. Ze worden verliefd op elkaar maar dit blijkt een onmogelijke liefde. Aan het eind van het boekje is Kata met Stefan in Budapest om haar vader te begraven en vallen al deze perioden op hun plek.

Althans, dat is de bedoeling. Ik vond het tot dit laatste stukje een goed leesbaar boekje, maar de keuze die Kata en Stefan aan het eind maken vond ik wel ongeloofwaardig. Jammer eigenlijk, daardoor houd ik toch een wat onaangenaam gevoel over aan deze verder voor mij wel aardige roman.

Een paar citaten:

'De een is Pool, de ander Duits, weer een ander komt uit Transsylvanie, maar allemaal zijn wij Hongaren. Wij leven nu hier, wij zijn Hongaren.'
Dit is trouwens nog steeds een algemeen aanvaarde opvatting in Hongarije. Zo snappen de Hongaren niet waarom 'de Hongaren die elders in de EU wonen' niet zouden mogen stemmen voor Hongaarse verkiezingen, ook al hebben ze een andere nationaliteit dan de Hongaarse. Het zijn toch gewoon Hongaren?

Over het huwelijk van Kata's ouders:
'Ik besef de onvervulbaarheid van haar huwelijk met mijn vader, dat voor hem een vlucht in de vergetelheid is geweest. En ik, zijn dochter, het kind van zijn hang naar vergetelheid, niet om mijzelf geboren maar als troost voor mijn moeder, als afkoopsom.'

Over de Donau:
'Hoe kan een rivier die in een zwart woud ontspringt om in een zwarte zee uit te monden steeds maar weer bezongen worden als blauw?'

Over muziek:
'Iets te betekenen in de muziek, Wenen naar de kroon te steken was een nationale ambitie.'

zaterdag 5 maart 2005

Leo Pleysier - Volgend jaar in Berchem



Een klein en vermakelijk boekje van de Vlaming Leo Pleysier: volgend jaar in Berchem (uit 2000).

Het verhaal kan ik in zijn geheel vertellen zonder dat het een verklapper is: een familie komt op nieuwjaarsdag bijeen. De kinderen krijgen van hun peter en meter een kadootje, zij geven op hun beurt een kaartje met nieuwjaarswens kado en dan worden de kinderen uit de kamer verbannen zodat de volwassenen rustig kunnen praten.

Al snel komt het gesprek op de jeugd van een aantal broers/zussen (de eigen familie wordt telkens 'ons Greet, ons Annemie, onze Robert' genoemd, de partners gewoon Marjan, Rik etc. Grappig) en de relatie die zij elk met hun bijzondere vader hadden. Deze vader was een beetje (!) een louche figuur en daar valt dus het nodige over te vertellen (hier over vertellen valt wel onder de noemer verklapper dus dat doe ik lekker niet :-) ).

De partners maken dit gesprek blijkbaar jaarlijks mee en trekken zich al snel terug om te kaarten.

Aan het eind van het boekje wordt besloten waar deze jaarlijke bijeenkomst het volgend jaar gehouden zal worden: in Berchem. Vandaar de titel. Eigenlijk komt dan pas de aap uit de mouw: niemand vind het echt gezellig (vooral een verplichting) maar ja, hun moeder heeft hen laten beloven deze traditie waar zij zo zot op was maar waar haar man een vreselijke hekel aan had en die zij als kind dus niet meekregen, voort te zetten.

Het bijzondere aan dit boekje is de manier waarop het verhaal geschreven wordt: eigenlijk is het een lange dialoog. Er wordt verder zo goed als niets beschreven. Dat komt omdat de hoofdpersoon, Peter, na een operatie aan de stembanden niet kan spreken en simpelweg noteert wat er gezegd wordt.

Het maakt het lezen van dit boekje bijzonder, maar ook wel eens vermoeiend: wie zegt nu wat (wie hoort in hemelsnaam bij wie?).

vrijdag 18 februari 2005

Terry Goodkind - Naked Empire



Ik las Naked Empire van Terry Goodkind. Dit achtste deel in de fantasy-serie 'Sword of Truth' vond ik drie keer niets. Het is een felle aanklacht tegen pacifisme als levensovertuiging. Je bent volgens de in eerdere delen toch redelijk sympatiek overkomende hoofdpersoon aan het leven verplicht degene die jou aanvalt uit te moorden. En hij brengt dat gelijk maar grondig in praktijk.

Verder meer van hetzelfde: Mord Sith, Sisters of the light/Dark, Zedd, Ann, Emperor Jangang. De enige interessante nieuwe persoon is aan het eind alweer verdwenen (die zien we nooit meer terug...).

Deze reeks is hiermee voor mij tot een (voortijdig?) einde gekomen.